Welkom op de site van De troostlelie!
 
Naar de homepage van deze site
 
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
E-mail naar Margriet Verbeek
 
 
Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.

 
 
De Manja Wonder-
schoonverhalen

In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
 
 
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
 
 
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
 
 
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
 
 
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
 
 
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?
 
 
Boekhandel 't Leesfestijn, Vlaardingen, waar 'De verlorenen' te koop is.

 
 
'Kerst in het
Groene Huis'

Een Delftse student
ontmoet een vrouw
die hij lijkt te herken-
nen uit een droom.
 
 
Linkspagina
Links naar ongewone,
originele boeken.
 
 
Korte bio
van Margriet Verbeek
 
 
Andere website
van Margriet Verbeek
 
 
Interview met
Margriet Verbeek
over e-books.
 
 
 
Top
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
Het wapen van de Elmontestratiaanse stad Dolia.
 
 
Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.

 
 
De Manja Wonder-
schoonverhalen

In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
 
 
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
 
 
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
 
 
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
 
 
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
 
 
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?
 
 
 
 
De melona van Larix in Elmontestratia, waarmee zij contact kan houden met Gijs, via de boom Tiligue, en het kleine, gele vriendschapsvlindertje.
 
 
 
Top
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
E-mail naar Margriet Verbeek
 
 
Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.

 
 
De Manja Wonder-
schoonverhalen

In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
 
 
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
 
 
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
 
 
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
 
 
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
 
 
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?
 
 
Boekhandel 't Leesfestijn, Vlaardingen, waar 'De verlorenen' te koop is.

 
 
'Kerst in het
Groene Huis'

Een Delftse student
ontmoet een vrouw
die hij lijkt te herken-
nen uit een droom.
 
 
Linkspagina
Links naar ongewone,
originele boeken.
 
 
Korte bio
van Margriet Verbeek
 
 
Andere website
van Margriet Verbeek
 
 
Interview met
Margriet Verbeek
over e-books.
 
 
 
Top
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
Het wapen van de Elmontestratiaanse stad Dolia.
 
 
Top
 
door Margriet VerbeekFollow MargrietVerbeek on Twitter



De vijf Manja Wonderschoonverhalen sluiten aan op 'De verlorenen'.
De oude verhalenverteller is in deze verhalen al op de vlucht, maar hij kan nog binnen Elmontestratia uit handen van zijn achtervolgers te blijven. Hoe het gaat als hem dat niet meer lukt, lees je in 'De troostlelie'.
 
Download onderstaand verhaal voor e-reader:     Adobe PDF      ePub      TXT
 
Doet de PDF het niet?
Ga met de muis op de link staan, klik dan met de rechtermuisknop en kies 'Koppeling opslaan als' of 'gelinkte gegevens opslaan' uit het keuzemenuutje. Sla de PDF op in een map of op je bureaublad. Daarna kun je die PDF openen in Acrobat Reader.
Werkt het dan nog niet? Download dan de nieuwere gratis versie van Adobe Reader.
 
Doet de ePub het niet?
Aan ePub heb je alleen iets als je Adobe Digital Editions gedownload hebt.
Volg daarvoor de volgende instructies.
 



De kleine stenen - Voor Larix


 
Met de paasdagen kwam Gijs bij me logeren. Gijs' moeder zou die dagen met haar ouders en de kleine Jurriaan een paar dagen naar een pension aan zee gaan, maar omdat Gijs nog steeds zo slecht met zijn grootouders overweg kon, had zijn moeder mij gevraagd of Gijs bij mij kon komen. Ik vond het goed, ik had toch geen plannen gehad voor die paar dagen. De gitaarleerlingen die op maandag kwamen had ik vrij gegeven, maar de andere leerlingen kwamen gewoon. Zo lang was mijn vakantie dus niet.
  Zoals altijd als Gijs en ik bij elkaar waren, kwam het gesprek op een gegeven moment op de bijzondere wereld die wij allebei goed kenden: Elmontestratia. Gijs probeerde terug te denken hoe lang het nu geleden was dat hij voor het eerst bij Manja Wonderschoon geweest was. Ik kon hem dat precies vertellen omdat ik die avond gitaar gespeeld had in Maassluis. We rekenden uit dat het alweer bijna een half jaar geleden was. In dat halve jaar waren wij een keer of tien bij hem geweest. Meestal hadden we verhalen gehoord, maar soms kwam hij er niet toe. Soms bleef het bij gezellig praten met elkaar en thee of frisdrank drinken. Maar altijd was het een fijne belevenis geweest. Manja Wonderschoon was in de tijd dat wij hem kenden viermaal verhuisd. We wisten nu dat we niet zonder meer naar zijn huis konden lopen. Je moest goed op de grond kijken of er een schaduwhand verscheen die misschien opeens een heel andere kant op wees. Eigenaardig was wel dat zijn woning er van binnen altijd hetzelfde uit zag, waar hij ook woonde. Ik had hem weleens gevraagd hoe dat kon, maar dan lachte hij maar wat en gaf geen antwoord.
  Hierover doorpratend, hoefde ik alleen: 'Zullen we...?' te zeggen of Gijs stond al buiten.
  Het was goed weer. Niet zo warm als vorige week, maar helder en zonnig. Lang niet gek voor de maand april. We wandelden naar het Vlaardingse stadspark, waarna we, via de oude plataan, naar die vreemde, andere wereld reisden. We wisten precies hoe we in het Fonteinbos moesten komen en daar letten we goed op de grond, in de hoop snel de schaduw van Manja Wonderschoon te ontdekken. We drentelden wat rond op de brede paden van het parkachtige bos, totdat ik de schaduw zag aan de ingang van een smaller pad. Een ons onbekende weg. Hij was dus alweer verhuisd.
  Gijs en ik volgden de schaduwhand nieuwsgierig. De wandeling was langer dan anders, maar prachtig, zo in het vroege voorjaar. Op alle open plekken bloeiden de sleutelbloemen, veel bomen stonden in bloei, wolken van geurend roze en wit. Er waren al vroege vlinders, en de vogels floten ons na en riepen ons toe. Gijs en ik praatten niet veel. Eindelijk stopte de schaduwhand bij de oever van een riviertje. We bleven er staan en keken elkaar verbaasd aan. Een riviertje? Dat was iets nieuws. Moesten we het water in?
  Ahum... we keken elkaar aan en lachten. Gijs gluurde over de rand van de oever en wees naar een smalle zandbank vlak langs het water. Als we hier naar beneden zouden springen, stonden we daar droog! Doen? Ja, maar zouden we terug kunnen?
  We bekeken de wal; die was vrij hoog. Misschien had Manja wel een ladder voor de terugweg, bedacht ik. Hij zou daar heus wel iets op gevonden hebben. Maar zaten we hier echt goed? We keken nog eens; waar precies wees de schaduwhand naar toe? Nee, er kon geen misverstand over bestaan, hij wees overduidelijk naar het riviertje. Toen waagden we het er maar op.
  Gijs sprong eerst en ik volgde hem.
  Het smalle strandje was erg vochtig, maar we konden er inderdaad staan. En dan nu het water in? Maar nee, de schaduwhanden verschenen op de loodrechte wal van de oever. Gijs en ik zetten dadelijk onze handen op die plek, en terwijl we onze schoenen naar beneden voelden zakken in het natte zand, tekende zich een deur af rondom onze handen. Toen de deur klaar was, trokken we onze schoenen los en openden de deur. En daar was de ons inmiddels zo bekende kamer van Manja Wonderschoon. Hij stond achter in de zaal bij een tafeltje waar we voor het eerst allerlei lekkere dingen zagen staan. Koekjes, taart, paaseitjes en fruit. En daarbij natuurlijk, zoals altijd, thee en frisdrank.
  Er waren zo ongeveer dertig mensen, iets meer dan normaal. Misschien omdat het Pasen was? We praatten en lachten. Het was hier zo gezellig, met al die olielampjes. Het grijs van Manja's lange haar en zijn fladderende gewaden leek door het licht van die lampjes wel van zilver te zijn.
  Ik bleef het fascinerend vinden om te zien hoe er kleuren doorheen golfden zodra hij begon te praten.
  Voor het eerst hoorden we Manja zingen. Eerst hij alleen, later deed iedereen mee. Maar na een uurtje liep hij toch naar het rode vertelkussen en ging daar zitten.
  Alle mensen en Elmontestratiawezens kwamen meteen rondom hem zitten, hopend op een verhaal.
  Net als de voorgaande keren keek Manja zoekend om zich heen, om iemand te vinden naar wie hij zijn verhaal dit keer richten zou. Ik had het gevoel dat hij Lontik zou kiezen, het jongetje met wie hij lange tijd gesproken had. Of anders Lontiks moeder misschien, voor wie hij daarnet gezongen had. Maar tot mijn verbazing, ging zijn blik opeens naar mij. Hij wenkte me. Iedereen keek me aan. Ik verbleekte van schrik, slikte en stond aarzelend op.
  Wilde ik dit wel?
  Gijs porde me in mijn zij en keek me met glinsterende ogen aan: 'Hé, Larix, nu heb jij straks ook je eigen verhaal! Net als ik.'
  Ja, dat idee maakte me ook wel erg nieuwsgierig. Daarom stapte ik wel weifelend, maar toch zonder protest naar voren en ging op het groene kussen zitten, zoals ik de anderen had zien doen.
  Ik stak mijn beide handen uit naar Manja. Hij nam mijn handen in zijn handen. Er straalde warmte uit zijn handen. Ik begreep nu dat de mensen die hier zaten niet alleen vuurrood werden van verlegenheid of emotie, maar ook van die straling die van Manja uitging.
  Manja liet me los en leunde achterover op zijn rode kussen. Ik ging ook wat meer ontspannen zitten en keek de woorden haast uit zijn mond. Letterlijk. Dat wil zeggen: ik hoorde niet alleen wat hij vertelde, ik zag het ook voor me als een film.
  Dat had Gijs me niet verteld, of had niet iedereen dat? Het verhaal drong daardoor veel dieper tot me door, het was of ik het zelf meemaakte. De mensen om me heen vergat ik totaal, ik hoorde alleen Manja's verhaal.
 
'Aan de rand van de zee in een dunbevolkt land lag een kleine stad.
  De mensen die daar woonden, leefden voornamelijk van de visvangst. Daarnaast was er nog een kleine dekenfabriek en verder waren er natuurlijk bakkers, slagers, leraren, kruideniers, groenteboeren, een advocaat, een dokter, een wijkverpleegster, een vroedvrouw, een paar kunstenaars en zelfs een echte bedelaar.
  Rijk waren ze niet, er werd hard gewerkt voor weinig loon, maar ze vierden hun feesten en waren over het algemeen tevreden met hun bestaan.
  Op een dag, vroeg in de ochtend, ging er een trilling door de grond, onder de fundamenten van de stad. Even daarna golfden de straten tien minuten lang. Brede, trage golven als de zee bij rustig weer. Daarna was alles weer gewoon.
  De mensen uit het stadje schrokken vreselijk, al was er dan weinig schade aangericht - er was alleen een oude schuur ingezakt en het fietsenhok van de middelbare school - maar stel dat het nog eens gebeurde? Stel dat het dan erger zou zijn?
  De burgemeester van het stadje vroeg advies aan een paar wetenschappers. Zij onderzochten de grond zorgvuldig, en na een maand kwamen ze met schokkend nieuws: Er bleken diepe scheuren in de aardkorst te zitten, recht onder de stad. Elk moment zou er een hevige aardbeving kunnen komen. Van het stadje zou daarbij waarschijnlijk niets overblijven.
  Voordat de burgemeester dit aan de bevolking bekend liet maken, stelde hij een zorgvuldig rampenplan samen en daarna plaatste hij een oproep in de krant voor een grote volksvergadering op het plein. Alle mensen die het lazen werden nieuwsgierig. Ze begrepen dat het met de aardbeving te maken moest hebben, dus kwamen ze allemaal. Op het grote plein legde de burgemeester het reddingsplan helder uit.
  Alle inwoners van het stadje moesten verhuizen naar een andere plaats aan de kust, zeshonderd kilometer verderop. De burgemeester had hiervoor toestemming van de koning gevraagd en gekregen. Daar zouden zij opnieuw een stad opbouwen en er net zo leven als ze hier gedaan hadden. De grond was er veilig; er waren daar geen scheuren in de bodem, er was daar geen gevaar.
  Omdat het stadje te arm was om zoveel verhuisauto's te huren, en de vissersschepen die ze hadden niet geschikt bleken te zijn voor een dergelijke verhuizing, besloten ze te gaan lopen. Allemaal tegelijk. Er werd een comité samengesteld van wijze mensen die moesten beslissen wat er mee moest en wat er achtergelaten kon worden.
  Behalve persoonlijke bezittingen moesten er ook gereedschappen en bouwmaterialen meegenomen worden. Veel daarvan werd op grote platte wagens geladen, maar daarnaast kreeg elke man, elke vrouw en elk kind een rugzak uitgereikt die hij of zij dragen moest, de hele lange weg. Zelfs de honden, de katten, de geiten en de koeien kregen een last op hun rug, en zo lukte het om alles mee te nemen wat ze in de nieuwe stad nodig zouden hebben om daar helemaal opnieuw te kunnen beginnen.
  De eerste dagen na het bekendmaken van al dit nieuws waren er natuurlijk wel mensen die hiertegen protesteerden, die het overdreven vonden. Dit was paniek zaaien voor niets! Het zou wel meevallen allemaal, zij geloofden er niets van. Bestond het stadje niet al achthonderd jaren? Zij bleven thuis! Zij waren niet gek! Maar toen de tweede beving kwam, ditmaal midden in de nacht, en daarbij de eeuwenoude kerk tot puin ineen stortte en een stuk duin door de aarde verzwolgen werd, toen drong de ernst van de zaak tot iedereen door en werkten alle mensen mee om zo snel mogelijk te kunnen vertrekken.
  Binnen een maand waren ze klaar en vertrok de grote karavaan.
  De kinderen vonden het wel een leuk avontuur, en ook veel volwassenen waren vol goede moed.
  De sfeer in de grote groep was goed. Er werd veel gezongen, veel gelachen, veel gepraat. Elke vier uur stopten ze voor een rustpauze waarin er wat gegeten en gedronken kon worden. Er werden kampvuren aangelegd, en 's avonds werden er grote tenten opgezet waarin iedereen een slaapplaats vond. De dekenfabriek had voor mooie, sterke rugzakken gezorgd van heldergekleurde wol. De volwassenen droegen een blauwe, de kinderen een rode en de dieren een groene. Dat was een feestelijk gezicht.
  Het was natuurlijk wel even wennen geweest om met zo'n zware rugzak te lopen, maar omdat iedereen dezelfde rugzak droeg, klaagden de mensen er niet over. Ze zaten allemaal in hetzelfde schuitje.
  Nu waren er twee vrouwen in de stoet die het tempo van de anderen niet goed bij konden houden en meer dan eens besloot de leiding dan maar wat eerder een rustpauze te nemen, zodat zij wat op adem konden komen.
  Veel mensen ergerden zich hieraan. Die twee vrouwen saboteerden de zaak, vonden ze. Ze waren zo moe? Nou, en? Waren ze niet allemaal moe aan het eind van de dag? Ze vonden hun lasten zo zwaar, maar hadden ze niet allemaal een rugzak, tot het kleinste kind toe? Vooruit, schiet op, sta op en loop door!
  De twee vrouwen schaamden zich voor hun zwakte, ze wisten dat ze flink moesten zijn, dat ze door moesten zetten, het ene been voor het andere. Het was toch waar dat iedereen met een zelfde last liep, daar mocht je niet over klagen. En moedig slikten ze hun tranen in en liepen mee met de anderen. Steeds als de periode van vier uur wandelen voorbij was, kwamen zij achteraan sjokken, stortten dan uitgeput neer, ver van het vuur, blij dat ze zitten mochten en waren soms zelfs te vermoeid om te eten. Een van de twee vrouwen sprak op een dag de burgemeester aan om te vragen of zij tweetjes alsjeblieft een paar dagen mee mochten rijden op de platte karren met bouwmaterialen, maar dat werd geweigerd. Daar konden ze niet aan beginnen, zei de burgemeester vriendelijk.
  Vijf van de zes wethouders knikten instemmend, maar de zesde wethouder werd kwaad, 'Zo'n lui wijf, daar moeten we niet zoveel tijd aan verspillen.' gromde hij. 'Vooruit, wat sta je daar nog? Hoepel op, ga liever helpen met het opzetten van de tenten.'
  De vrouw keerde teleurgesteld terug. Haar vriendin bleek in de tussentijd soep gehaald te hebben en dikke sneden bruinbrood met boter.
  'Ga zitten.' zei ze gelaten - zij had van het protest toch al niets verwacht - 'We moeten in elk geval proberen goed te eten, anders redden we het helemaal niet.'
  Samen probeerden ze een andere oplossing te vinden, maar wat ze ook bedachten, helpen deed het niet. Zingen of praten onder het lopen leidde wel af, maar het hielp niet tegen de vermoeidheid.
  Sommige mensen hadden medelijden met de vrouwen. Zij zorgden ervoor dat de twee vriendinnen niet mee hoefden helpen met de huishoudelijke taken, en ook dat ze een extra rustige slaapplaats kregen, zodat ze 's nachts in elk geval goed konden slapen. Maar echt helpen deed dat ook niet. De twee vrouwen werden steeds bleker, steeds stiller en steeds magerder.
  Aan het eind van de derde week, midden op de dag, zakten ze plotseling tegelijk in elkaar en bleven roerloos liggen.
  Er ging een schok door de groep, er werd geschreeuwd en een jongen rende zo hard hij kon naar voren om de mensen daar te waarschuwen dat er een ongeluk gebeurd was. De hele menigte kwam om de twee vrouwen heen staan.
  Waren ze dood?
  De dokter drong zich tussen de mensen door, knielde neer bij de beide lichamen en onderzocht ze snel. Met een ernstige trek op zijn gezicht stond hij op, keerde zich om en zei: 'Er is niets meer aan te doen, ze zijn overleden.'
  Veel mensen sloegen de handen voor het gezicht en barstten in snikken uit. Wat erg, o, die arme vrouwen! Zo vaak hadden ze gezegd dat ze niet meer konden, zo vaak waren ze oververmoeid geweest. Hadden ze er toch maar wat beter naar geluisterd, hadden ze toch maar een uitzondering gemaakt voor deze twee en ze toegestaan mee te rijden op de platte karren. Ze hadden terecht geklaagd, ze hadden werkelijk niet meer gekund, en nu was het te laat.
  De dokter knielde nog eens neer bij de eerste vrouw en probeerde de riemen van haar rugzak los te gespen. Dat ging gemakkelijk.
  'Laad deze zak maar op de kar.' zei hij tegen een grote jongen die met zijn neus vooraan stond, en hij wilde de zak oplichten. Maar wat bleek? De blauwe rugzak van de vrouw, die zij drie weken lang gedragen had, was zó zwaar dat de dokter hem niet van de grond kreeg.
  'Wat zullen we nou krijgen?' zei hij verbaasd, en toen lachend, 'Ach, ik geloof dat ik er verkeerd vóór stond, nu zal het wel gaan.'
  Hij probeerde het nog eens, maar nee, het lukte hem niet.
  Een jonge man kwam naar voren en trok aan de rugzak, maar ook hij kreeg hem niet van de grond.
  'Maak hem open.' raadde iemand aan, 'Haal alles eruit en leg het een voor een op de kar, dan lukt het wel.'
  Nieuwsgierig rekten de mensen hun halzen om te zien wat er dan toch voor zware dingen in die rugzak konden zitten.
  De dokter knoopte het koord los en opende de rugzak. Hij keek erin.
  'Nou wat is het, haal het er eens uit?' riepen de mensen.
  'Dat gaat niet.' zei de dokter. 'Het is maar één ding wat erin zit; het is een grote, zwarte kei. Een rotsblok.'
  Met veel moeite knipte en scheurde hij de rugzak van de kei af en toen de mensen de enorme zwartglimmende steen zagen, schreeuwden ze het uit van ontzetting.
  Die arme vrouw! Geen mens had dat aangekund, en zij had daar drie weken mee gelopen. Wat verschrikkelijk dat niemand dat geweten had, dat niemand het begrepen had of haar geholpen had. Och, had ze toch maar op de platte kar mee mogen rijden, maar het was te laat. Wat erg, wat erg.
  'We moeten haar een prachtige begrafenis geven!' riep iemand.
  'Ja!' 'Ja!' 'Ja!' schreeuwden de anderen.
  'Met veel bloemen en toespraken, met zingen en mooie muziek.' zei de eerste weer.
  'Ja!' 'Ja!' 'Ja!'
  'Nooit mogen we haar lijden vergeten! In de nieuwe stad zullen we een gedenkteken voor haar oprichten!'
  'Ja!' 'Ja!' 'Ja!'
  En toen pas vroeg een klein meisje: 'Wat zou er in de rugzak van die andere vrouw zitten?'
  Ook een rotsblok natuurlijk, dachten de mensen. Daarom verspilde de dokter geen tijd aan het lospeuteren van de knopen van de rugzak, maar stak zijn mes meteen in de blauwe wol. Maar, nee, het was geen rotsblok, er rolde een stroom van kleine steentjes uit de rugzak. Als water zo snel rolden ze tussen de benen van de mensen door.
  Nieuwsgierig bukten de mensen zich en raapten wat steentjes op. 'Wat een kleintjes!' riep de een. 'Ik heb hier een grotere!' riep een jongetje en hield een steen zo groot als een vuist omhoog.
  'Wat je maar groot noemt!' smaalde een oude vrouw, 'In mijn rugzak heb ik wel drie zulke stenen zitten!'
  'Ik heb ook zulke kleintjes in mijn rugzak.' zei een kleuter terwijl hij vier ronde steentjes omhoog hield. 'Wel twee! Maar die kan ik makkelijk dragen hoor!'
  'Ik heb zes van deze dikkerds, en dan ook nog een grote wollen deken!' pochte een man. En een paar kinderen namen de kleinste steentjes en gooiden ze weg zo ver ze konden. Kijk toch eens hoe klein ze waren, en hoe licht, je kon ze wel haast twintig meter gooien.
  Alleen de bedelaar liet een ander geluid horen.
  'Wat veel!' zei hij, 'Wat zijn het véél kleine steentjes, wat moet dat ontzettend zwaar geweest zijn.'
  Maar omdat hij maar een bedelaar was, luisterde niemand naar zijn woorden.
  De kinderen bleven doorgaan met het weggooien van stenen, ze lieten ze in het water plonzen en hadden veel plezier, totdat de dokter het hen verbood.
  Waarvoor dienden deze steentjes eigenlijk? Moesten ze op de platte kar geladen worden? Maar daar was toch geen plaats voor het grote rotsblok van de ene vrouw en dan ook nog die hele berg kleine steentjes van de andere?
  'Laten we de kleine stenen maar hier laten.' stelde toen iemand voor. 'Als een soort grafstenen. We moeten de vrouwen tenslotte ook begraven.'
  Dat was wel een goed idee. Er werd meteen ook weer een commissie opgericht om later, in de nieuwe stad, een gedenkteken op te richten voor de arme vrouw die het zware rotsblok gedragen had.
  Een paar mannen groeven een mooi graf en maakten er een tuintje omheen, de vrouwen zorgden voor bloemen en de dominee hield een ontroerende toespraak over de dapperheid en de moed van deze arme vrouw. Daar kon menigeen een voorbeeld aan nemen. Er waren mensen die al bezweken van steentjes niet groter dan een kindervuist, maar deze sterke vrouw had haar loodzware last zonder morren gedragen. Hadden ze haar zelfs niet horen zingen? Zie, dat was nu de ware moed. Daar kon je je aan optrekken, dat verdiende respect.
  Voor de begrafenis van de moedige vrouw namen de mensen drie hele dagen om te rouwen voor ze verder trokken. En allemaal waren ze er getuige van hoe er tijdens het laatste klaaglied een gestalte als van mist omhoog kwam uit het graf die zich langzaam oploste in de blauwe lucht, en ieder begreep dat dit haar ziel moest zijn die regelrecht opsteeg naar de hemel.
  De andere vrouw, die bezweken was onder de last van zulke kleine steentjes dat de kinderen ermee spelen konden, werd haastig in de grond gestopt. Bovenop haar graf, drukkend op haar borst onder de grond, stapelden de mensen de hele berg kleine steentjes. Daarna vergat men haar.
  De stoet trok verder. Ze hadden nog een lange weg te gaan, en na verloop van tijd werden de mensen weer opgewekt en hoorde je weer gelach en gezang.
  De twee graven lagen daar onopvallend in het eenzame land.
  Niemand, geen mens en geen dier, hoorde het zachte steunen vanonder de grote hoop kleine steentjes.
  De ziel van de vrouw daaronder zat gevangen onder de zware last van stenen en het lukte haar niet om zich daarvan te bevrijden en naar de hemel te stijgen. Het enige wat ze kon was zachtjes kreunen.
  De tijd ging verder. De karavaan kwam aan op de plaats van bestemming. De mensen bouwden een nieuwe stad en al gauw was het of er niets veranderd was, zoveel leek de nieuwe stad op de oude.
  De lange wandeling werd een schitterend verhaal voor de winteravonden, groeide uit tot een legende, en midden op het plein bij de kerk werd een gedenkteken opgericht voor de vrouw met de kei.
  Het duurde tweehonderd jaar voordat iemand weer bij de graven kwam, en dan nog zonder te weten wat hij zag.
  Het was een jongen op een paard. Hij had dagenlang door de open vlakte gereden en bij de twee graven hield hij halt. Er was daar een klein meertje waar hij zijn paard kon laten drinken. Hij was moe en besloot hier voorlopig te blijven.
  Zittend naast de berg kleine steentjes at hij wat, en starend naar het water dacht hij na. Zestien jaar was hij, weggelopen van huis. Een huis dat zijn thuis niet was, tenminste, dat vond hij zelf. Na de dood van zijn ouders was hij bij zijn neef en nicht in huis gekomen.
  Allerakeligste mensen, vond de jongen. Zuinig! op het gierige af! Nooit lachen, nooit huilen, mensen zonder gevoel. Je ging daar dood. Hij hield het daar niet uit.
  De jongen zat lang stil. Hij huilde, dronk wat, at wat, en huilde nog eens. Zou er wel iemand in de wereld zijn die zo eenzaam was als hij? En vroeger had hij zulke mooie plannen gehad! Leraar wou hij worden, net als zijn vader, en nu? Er kwam niets van terecht.
  Al peinzend nam de jongen een steentje van de grote hoop en keilde die het water in.
  De beweging deed hem goed, het was een leuk gezicht het steentje in het water te zien plonzen. Hij deed het nog eens, probeerde de overkant te halen, maar dat lukte hem niet. De grotere stenen kwamen niet eens tot de waterkant.
  Zou het niet mogelijk zijn ergens anders te gaan wonen?
  Nee, dat was niet mogelijk, hij had geen geld. Maar als hij nu werk zocht, als hij nu stopte met school, daar bracht hij toch niets meer van terecht de laatste tijd.
  Ja, maar dan kon hij ook geen leraar worden.
  Zo dacht de jongen na. Een hele dag en een hele nacht. Intussen almaar stenen gooiend en luisterend naar het plonzen van de stenen in het water.
  Pas met het laatste steentje lukte het hem eindelijk de overkant van het meertje te halen.
  'Hoera!' riep hij, lachte en voelde zich een stuk beter.
  Hij stond op, rekte zich uit en riep zijn paard.
  Nu wist hij wat hij doen zou. Hij zou naar huis gaan, hij zou volhouden, hij zou leraar worden.
  Hij klom op zijn paard en reed terug.
  Nu de hoop stenen verdwenen was, was er nog maar één graf zichtbaar in het landschap. En niemand was er getuige van dat er een gestalte als van mist omhoog kwam van de grond waar de hoop stenen gelegen had, en regelrecht de hemel invloog.'
 
Manja zweeg. Hij keek me aan en ik lachte aarzelend naar hem, met iets van verlegenheid. Ik voelde me alsof ik ergens anders geweest was.
  Ik stond op en ging naast Gijs zitten.
  Het duizelde me van alle beelden die ik voor me gezien had, en de herkenning die wel daagde, maar die toch niet helemaal door wilde breken.
  Ja, dit was mijn verhaal. Ik voelde het.
  Ik zou ermee omgaan zoals de bedoeling was: het onthouden en er af en toe aan denken. En erover praten met Gijs, mijn kleine vriend.
 
Margriet Verbeek
April 2009
 
 
----------------------------------------
 
Zowel de vijf Manja Wonderschoonverhalen als 'Kerst in het Groene huis' sluiten aan bij het boek 'De verlorenen'.
In De verlorenen leren Gijs en Larix elkaar kennen en ontdekken ze het vreemde land Elmontestratia. Gijs wordt er ontvoerd, en pas na een lange, spannende tocht weet Larix hem te bevrijden.
 
Titel: 'De verlorenen'
Auteur: Margriet Verbeek
Uitgever: Boekscout.nl
Uitvoering: Paperback - 16 x 24 cm.
Aantal pagina's: 404
Prijs: 20,95 Euro
Te bestellen:
 
    Online bij Uitgeverij Boekscout.nl,
    of in de boekhandel
    ISBN - 978-90-8834-469-5
 
www.boekscout.nl
www.margrietverbeek.nl
www.troostlelie.nl
 
De vijf Manja Wonderschoonverhalen zijn voorbereidende verhalen voor 'De troostlelie'. Voordat het boek in druk verschijnt, zullen de eerste hoofdstukken van 'De troostlelie' vanaf begin september 2010 te lezen zijn op de website van 'tenpages.nl'.
 
Tot ziens!
 
Aantal pageviews voor deze gehele site, vanaf 28 februari 2010:
 
URL:http//www.troostlelie.nl/manja5.html
© 2010 by Margriet Verbeek
ALL RIGHTS RESERVED