
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
'De verlorenen' Online bestellen

Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.
De Manja Wonder-
schoonverhalen
In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?


'Kerst in het
Groene Huis'
Een Delftse student
ontmoet een vrouw
die hij lijkt te herken-
nen uit een droom.
Linkspagina
Links naar ongewone,
originele boeken.
Korte bio
van Margriet Verbeek
Andere website
van Margriet Verbeek
Interview met
Margriet Verbeek
over e-books.
Top
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
'De verlorenen' Online bestellen

Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.
De Manja Wonder-
schoonverhalen
In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?

Top
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
'De verlorenen' Online bestellen

'Kerst in het
Groene Huis'
Een Delftse student
ontmoet een vrouw
die hij lijkt te herken-
nen uit een droom.
Linkspagina
Links naar ongewone,
originele boeken.
Korte bio
van Margriet Verbeek
Andere website
van Margriet Verbeek
Interview met
Margriet Verbeek
over e-books.

Top
|
door Margriet Verbeek 



De vijf Manja Wonderschoonverhalen sluiten aan op 'De verlorenen'.
De oude verhalenverteller is in deze verhalen al op de vlucht, maar hij kan nog binnen Elmontestratia uit handen van zijn achtervolgers te blijven. Hoe het gaat als hem dat niet meer lukt, lees je in 'De troostlelie'.
Download onderstaand verhaal voor e-reader:

Doet de PDF het niet?
Ga met de muis op de link staan, klik dan met de rechtermuisknop en kies 'Koppeling opslaan als' of 'gelinkte gegevens opslaan' uit het keuzemenuutje. Sla de PDF op in een map of op je bureaublad. Daarna kun je die PDF openen in Acrobat Reader.
Werkt het dan nog niet? Download dan de nieuwere gratis versie van Adobe Reader.
Doet de ePub het niet?
Aan ePub heb je alleen iets als je Adobe Digital Editions gedownload hebt.
Volg daarvoor de volgende
instructies.



De pimpelmezen - Voor Winnifred


Gijs hing op zijn kop aan een hoge stang in de speeltuin vlakbij zijn school. Hij zwaaide heen en weer, hoger en hoger, totdat hij plotseling bovenop de stang zat. Larix applaudisseerde.
'Je kunt zo bij het circus, Gijs!'
'En ik kan nog meer,' ijverde Gijs. Hij liep naar het bolvormige klimrek en klom erop zonder zijn handen te gebruiken.
Larix lachte. 'Dat deed ik vroeger ook altijd!'
'Ja?'
'Ja, echt! Het is best eng, hè?'
'Best wel. Maar ik kan het. Kom jij ook?' Gijs klopte uitnodigend op de stang naast hem, maar Larix keek naar boven.
'Ik vertrouw de lucht niet. Moet je zien!'
Daarnet was het nog zonnig geweest, nu trok de lucht dicht. Niet alleen bewolkt was het, het werd ook donker, en de lucht achter de zwarte wolken kregen een vreemde gele kleur. Een klein meisje dat net van het klimrek afgekomen was en nu naast Larix stond, keek ook naar boven en zei met een ernstig gezichtje: 'Ik geloof dat het om gaat weren.' Daarna rende ze weg, pakte een klein broertje uit de zandbak en liep de speeltuin uit. Een zorgzame zus.
Gijs kwam naar beneden en keek teleurgesteld naar de tas aan Larix' hand.
'We zouden toch naar de Waterweg gaan om naar de grote schepen te kijken en dan buiten te gaan eten?'
'Ja, maar kijk dan naar de lucht, joh, er komt een stortbui. Kom mee!'
Ze waren nog maar net de speeltuin uit toen de eerste bliksemflits door de hemel schoot, onmiddellijk gevolgd door een ratelende donderslag. Toen zetten ze het op een lopen, en net voordat de wolkbreuk losbarstte, waren veilig in het huis van Larix.
'Hé, Gijs! Zullen we hier in de kamer picknicken?' vroeg Larix. 'Als we op de grond gaan zitten, is het net echt. Doen?'
'Maakt mij niet uit.' bromde Gijs.
Larix keek naar hem. Ze begreep zijn teleurstelling wel. Hij zou deze hele dag bij haar blijven en ze hadden zich er zo op verheugd. Ze hadden de hele dag gepland, en nu viel alles in het water. Letterlijk. De regen gutste langs de ramen, alsof iemand een tuinslang op de ruit gericht hield. Dat zou de eerstvolgende uren niet beter worden. Aarzelend begon Larix haar tas leeg te halen, maar opeens stopte ze. Ze lachte, en vroeg: 'Ga je mee, Gijs? Picknicken in het Fonteinbos?'
Gijs' ogen werden groot. 'Yes!' hij stak juichend zijn vuist omhoog. 'Maar je vond toch dat we daar niet al te vaak naar toe moesten! Je vond toch dat ik...'
'Dit is een noodsituatie.'
'Ja, hè?' beaamde Gijs meteen. Hij stond op en trok zijn jas weer aan. 'Gaan we gelijk weg?'
Larix keek naar het raam. 'Maar hoe?'
'Ha! Ik weet toevallig dat je een grote paraplu hebt!'
'Van jou en je moeder gekregen voor mijn verjaardag. Oké, dan nemen we die. Kom, Gijs!'
Het was voor het eerst dat Larix en Gijs met zulk noodweer naar de wonderlijke wereld 'Elmontestratia' gingen. Ze liepen onder de paraplu naar het Vlaardingse stadspark. Achter het pannenkoekhuis ging eerst Larix op het bankje bij de oude, dikke plataan zitten. Ze konden niet tegelijk in Elmontestratia aankomen, Gijs bleef daarom even achter. Toen hij een paar minuten later bij de boom keek, zag hij dat Larix verdwenen was en wreef hij ook zelf zijn grensstenen tegen elkaar. Een minuut later zat hij naast Larix in het gras, bij Tiligue, de praatboom uit Elmontestratia.
'Hoi!' riep Gijs. Hij sprong van de bank. 'Mooi weer is het hier! Heel anders dan bij ons! We gaan naar het Fonteinbos, Tiligue. We gaan picknicken. En we gaan eerst naar Manja! Ja, Larix? Misschien kunnen we nog een verhaal horen.'
Larix lachte. 'Mij best.'
Ze vertrokken meteen.
In het Fonteinbos aangekomen rende Gijs vooruit. Ze hoefden niet meer op de schaduwhanden te letten die hen de weg wezen, ze wisten het zo onderhand wel. Gijs was het eerst bij de voet van de heuvel. Hij wachtte totdat Larix er was, en samen hielden ze hun handen tegen de wand. Maar er gebeurde niets. Verbaasd keken ze elkaar aan. Gijs voelde overal op de wand. Het voelde koud en klam aan. Dat klopte niet, het zou warm moeten zijn.
'Zou Manja Wonderschoon verhuisd zijn?' Toen pas zag Larix op de grond de schaduwman die terugwees.
'Kijk, Gijs! Hij wijst de andere kant op! Hij is blijkbaar inderdaad verhuisd.'
Ze dacht even na, en zei toen: 'Tiligue heeft een keer gezegd dat Manja Wonderschoon zich bedreigd voelt, weet je nog, Gijs? Misschien dat hij daarom steeds ergens anders gaat wonen. Laten we de schaduwhanden volgen. Ik hoop alleen niet dat het erg ver is...'
Speurend naar een schaduwhand op de bospaden, liepen Gijs en Larix verder, totdat de wijzende hand stopte bij een heel dikke boom. Daar wees de hand omhoog. Net als bij de rotswand. Twee schaduwhanden spreidden zich uit op de bast van de boom, even heel scherp afgetekend, daarna vervagend. Larix keek Gijs vragend aan.
'Doen?'
'Oké.'
Larix hing de picknicktas met de hengsels aan haar arm en zette haar beide handen naast elkaar op de boomstam. Gijs, die vlak bij haar stond, deed hetzelfde. Na korte tijd hoorden ze het bekende ritselende geluid en tekende zich op de stam van de boom een deur af. Even later was de deur zo duidelijk en zo echt, dat ze hun handen van de stam loslieten en de deurknop probeerden.
Dat lukte. De deur ging open. Achter de deur bleek een trap naar beneden te zijn. Larix ging voorop, Gijs volgde haar. Onderaan de trap was een klein halletje met een deur die op een kiertje stond. Zachtjes liepen ze naar binnen.
Er waren niet veel luisteraars dit keer. Larix telde er nog geen tien. Dat kwam misschien door de verhuizing.
Het viel Larix op dat de kamer vrijwel hetzelfde was als de kamer in de heuvel. Dezelfde wanden vol boekenkasten, gekleurde kussens op de vloer en dwarrelende vuurvliegjes tegen het plafond.
Terwijl Gijs en Larix naast elkaar gingen zitten op de grote kussens tussen de andere mensen, knikte Manja Wonderschoon een jong meisje toe. Daarmee nodigde hij haar uit om naar voren te komen. Het meisje stond op, deed een stap naar hem toe, maar keerde zich haastig weer om. 'Nee!' riep ze. 'Nee, ik wil niet!'
Een man, die blijkbaar bij haar hoorde, probeerde haar te over te halen toch te gaan, maar ze bleef bij haar weigering.
Manja knikte iemand anders toe. Een jongen van elf. Winnifred heette hij, hoorde ik naderhand van zijn vader.
Hij kwam naar voren en ging op het groene kussen zitten.
Manja begroette hem en begon te vertellen.
'Midden in de stad stond een grote, oude kerk met hoge boogramen van gekleurd glas.
Halverwege een van de ramen was een klein ruitje gebroken, en op de rand van dat gat zaten twee pimpelmezen te luisteren naar de orgelmuziek. Het was voorjaar en stralend weer. De zon toverde warmgekleurde vlekken op de witte muren van de kerk. Mooi was dat. De pimpelmezen keken ernaar en voelden zich langzaamaan tot rust komen. En rust, dat was iets waar ze hard aan toe waren, ze hadden een zware tijd achter de rug. Eerst het gewone geploeter van het bouwen van een geschikt nest en toen dat klaar was het leggen van zes eitjes. Om beurten broedden de vogeltjes en na een aantal weken was het eerste jong uit het ei gekropen. Kort hierop volgden de andere vijf en daarna kwam de uitputtende tijd van het voeden van al die snaveltjes. Ze kwamen zelf bijna niet aan eten toe en altijd krijsten de jongen alsof ze in geen dagen wat gehad hadden. Zo veel konden de vader of moeder niet meenemen of de jongen schreeuwden om meer, en vlug, vlug, alsof ze stierven van de honger... Er was voor het ouderpaar geen minuutje over om even te rusten, geen tijd om hun verenpak schoon te maken, geen tijd voor een behoorlijke maaltijd, nee, altijd haast, vlug een besje eten en dan gauw weer naar het nest met een verse rups voor een hongerig pimpelmezenkind.
Na een paar weken was het de vader en de moeder wel aan te zien hoezeer zij zichzelf verwaarloosden. Er lag geen glans meer over hun veren, slordig staken die alle kanten op. Piekerig was hun kop, vermagerd het lijf, en dof en oververmoeid keken hun zwarte oogjes de wereld in. Ze hadden nauwelijks tijd een woord tegen elkaar te zeggen, maar als ze elkaar toevallig ergens tegenkwamen fluisterden ze elkaar schor van uitputting toe: 'Nog maar even en dan vliegen ze uit...'
De jongen groeiden snel, kregen hun gekleurde veren en leerden de pimpelmezenzang.
Maar toen gebeurde het.
De moeder had juist een lekkere vlieg gevangen die ze naar haar kinderen wilde brengen, toen ze een onheilspellend gekras hoorde. Ze kende dat geluid. Van schrik liet ze de vlieg vallen, schreeuwde zo hard ze kon om de vader te waarschuwen en vloog, zonder zich te bedenken of zich om het gevaar te bekommeren, naar haar nest, waar twee grote zwarte raven zich te goed deden aan de pimpelmezenkinderen.
'Iiiiiieeeeek, iiiiiieeeeek, iiiiiieeeeek!' krijste de moeder.
De vader kwam nu ook en schreeuwde mee, fladderde dreigend met zijn vleugels en probeerde samen met zijn vrouw de grote raven weg te jagen.
'Ha, ha, ha,' lachte de ene raaf, 'Zie je die krieltjes, geef ze een pik dan zijn ze dood. Wil jij nog twee volwassen mezen, moeder of zit je vol?'
'Nee, dank je,' zei de ravenmoeder, 'Ik lust liever de jongen, die zijn malser. Bovendien zijn jonge vogeltjes beter voor de spijsvertering van ons kind.' en hierna namen ze de laatste lijkjes uit het pimpelmezennest en vloog ermee weg.
Nu konden de twee pimpelmezen de schade opnemen. Niets was er over dan twee blauwe veertjes en wat bloedspatten op de wand van het nest. Krijsend van verdriet vlogen de pimpelmezen weg. Waarheen, daar dachten ze niet aan. Hoe verder, hoe beter, als ze hier maar ver vandaan waren.
Ze vlogen voorbij het grote park, ze vlogen voorbij de rivier, voorbij het land van de koeien en de schapen, totdat ze bij de stad kwamen, de stad waar de mensen woonden. Hier waren ze nog nooit geweest en hier was het waar ze een rustplaatsje vonden in het gebroken glas van het raam van de oude kerk.
Dicht tegen elkaar aan, halfverdoofd van vermoeidheid en verdriet, lieten ze de mensengeluiden over zich heen komen.
In de kerk waren erg veel mensen. Voorop het podium stond een koor te zingen. Sterk en blij klonk dat, vol levenslust. Ze klapten erbij in hun handen, ze wiegden heen en weer en sprongen na het lied van het podium af, om ruimte te maken voor een man met een microfoon. Deze man sprak van een mensenboek waarin alles stond over de schepper van het leven. Mensen werken hard, zei de man. Ze maken zich zorgen om de toekomst, altijd tobben, altijd ploeteren. Is dat nu wel nodig? Kijk eens naar de vogels. Zij werken nooit, zingen hun lied, en de hemelse vader die weet wat ze nodig hebben, zorgt ervoor dat ze op tijd te eten krijgen. Wij kunnen een voorbeeld nemen aan de zorgeloosheid van de vogels.
De twee pimpelmeesjes in het raam hoorden het met grote verbazing aan. Werkten zij niet hard? Maakten zij zich nooit zorgen? Het leek hen juist dat de mensen het zo makkelijk hadden.
Het vrouwtje zag hoe vermagerd het mannetje was, hoe onverzorgd en uitgeput hij eruit zag. Het mannetje dacht hetzelfde van haar, zag het verdriet in haar ogen, herinnerde zich de schreeuwen van ontzetting. Hoe kwamen de mensen erbij om te denken dat vogels maar een makkelijk leventje hadden?
Nu was de man uitgesproken en de zanggroep kwam weer op het podium. Ze zongen een jubelend lied over de goede zorgen van de hemelse vader.
Ze zongen: 'En zelfs de kleine raaf krijgt waar hij zo om schreeuwt...'
Toen vlogen de pimpelmezen weg.
Was dit waar? Dit ontzettende? Was het de god van de mensen die hun zes kindertjes bestemd had als voedsel voor de kleine raaf? Want waar schreeuwen kleine raven anders om dan om jonge zangvogeltjes? Is de god van de mensen dan wel de god van de raven, maar niet die van kleine zangvogeltjes? Maar wie zou dan de kleine zangvogeltjes beschermen? Wie luistert naar hen als ze schreeuwen van angst om de raaf?
'Ik denk dat we naar de arkduiven moeten.' zei tenslotte het vrouwtje die nu geen moeder meer was.
De arkduiven waren twee grijze duiven die zo oud waren als de wereld zelf. Zij stierven niet. Zij waren met Noach in de ark geweest en alle vogels wisten van hun bestaan. Sommige mensen ook, trouwens. Het waren postduiven. Ze brachten boodschappen door van de hemel naar de aarde, en andersom.
De twee pimpelmeesjes vroegen aan alle vogels die ze tegenkwamen of een van hen soms wist waar de arkduiven op het moment waren. Na lange tijd vragen en zoeken, hoorden ze van de wilde ganzen waar ze heen moesten. Ver weg was het, maar dat hadden ze er wel voor over.
De reis was lang en ze zagen veel. Veel vreugde en veel verdriet, rijkdom en armoede, oorlog en vrede. Toen kwamen ze eindelijk bij het bos waar de arkduiven het laatst gezien waren. Een merel wees ze de weg naar een kleine wilg waar de twee grijze duiven naast elkaar op een tak zaten.
De pimpelmezen stelden zich voor, vertelden wat hen overkomen was en besloten met de vraag: 'Waarom luistert de mensengod wel naar het geschreeuw van de kleine raaf, en niet naar het geschreeuw van onze kinderen? Zij waren onschuldig, hadden geen kwaad gedaan...'
Na deze vraag bleef het een hele poos stil.
'Dit is geen vogelvraag, dit is een mensenvraag.' sprak de ene duif tenslotte.
'Het is waar dat we bij de mensen waren toen deze vraag in ons op kwam.' beaamde het pimpelmezenmannetje.
'Maar we hebben de vraag niet afgeluisterd.' vulde het vrouwtje aan. 'Ook niet echt zelf bedacht... De vraag gebeurde gewoon.'
Weer was het een poos stil.
'We kunnen jullie geen antwoord geven.' zeiden toen de duiven. 'Het antwoord komt pas na het leven. Zolang je leeft, ontmoet je vreugde en verdriet. Om en om. Het waarom hoef je niet te weten.'
Toen vlogen de duiven weg.
De pimpelmezen keerden terug naar het land waar ze vandaan kwamen. Ze vlogen weer naar de stad en gingen nogmaals in het glas-in-loodraam zitten. Het was nu donker in de kerk. Mensen waren er niet. De mezen draaiden zich om en bekeken de huizen van de stad.
'Zullen we hier in de stad gaan wonen?' vroeg de vrouwtjesmees.
'Goed.' zei het mannetje.
Ze sliepen die nacht in een boom vlakbij de kerk en overdag verkenden ze alle bomen en alle huizen, leerden waar het gevaarlijk was en waar veilig en toen het weer voorjaar werd, bouwden ze opnieuw een nestje. Niet in een boom dit keer, maar in een klein houten nestkastje aan de muur van een hoge flat.
Vanaf het balkon kon een oude vrouw hen bezig zien, maar de vrouw deed hen geen kwaad, dat wisten de pimpelmezen.
Het nestkastje had maar een heel kleine opening. Een pimpelmees kon er doorheen, maar een raaf zeker niet. Hier zouden hun jongen veilig zijn.
De vrouw was blij met het mezennestje. Ze legde voedsel voor de mezen op het balkon en zorgde voor water. Hierdoor hadden de ouders het veel gemakkelijker dan de vorige keer. Groot was hun blijdschap toen ze zagen hoe flink de jongen groeiden en hoe mooi ze leerden zingen, en als er beneden een kat liep of er op het dak een kraai zat, of een raaf, dan riep het mannetje uitdagend vanaf de rand van het balkon: 'Piedewiet, piedewiet, We hebben vier jongen, maar je krijgt ze niet! Piedewiet, piedewiet.'
Toen de jongen uitvlogen, werden ze nagekeken door de oude vrouw van achter het raam en door de twee pimpelmezen vanaf het hekje van het balkon. Hun vorige nest met jongen, het verdriet daarover, en de moeilijke vragen die ze aan de duiven gesteld hadden, waren ze vergeten. Daar waren het vogels voor.'
Manja zweeg, de jongen stond op, boog voor Manja en ging terug naar zijn ouders.
Hierna schudde Manja zijn mantel uit. Dat was het teken dat hij stopte met vertellen.
Gijs en Larix bleven nog even theedrinken, en praatten wat met Manja en de andere mensen, maar lang bleven ze niet. Ze wilden nog een poosje wandelen door dit onbekende deel van het bos, samen praten over het verhaal dat ze gehoord hadden, en de tas van Larix leeg eten. Buiten op het gras, naast de fontein.
Margriet Verbeek
April 2009
----------------------------------------
Zowel de vijf Manja Wonderschoonverhalen als 'Kerst in het Groene huis' sluiten aan bij het boek 'De verlorenen'.
In De verlorenen leren Gijs en Larix elkaar kennen en ontdekken ze het vreemde land Elmontestratia. Gijs wordt er ontvoerd, en pas na een lange, spannende tocht weet Larix hem te bevrijden.
Titel: 'De verlorenen'
Auteur: Margriet Verbeek
Uitgever: Boekscout.nl
Uitvoering: Paperback - 16 x 24 cm.
Aantal pagina's: 404
Prijs: 20,95 Euro
Te bestellen:
Online bij Uitgeverij Boekscout.nl,
of in de boekhandel
ISBN - 978-90-8834-469-5
www.boekscout.nl
www.margrietverbeek.nl
www.troostlelie.nl
De vijf Manja Wonderschoonverhalen zijn voorbereidende verhalen voor 'De troostlelie'. Voordat het boek in druk verschijnt, zullen de eerste hoofdstukken van 'De troostlelie' vanaf begin september 2010 te lezen zijn op de website van 'tenpages.nl'.
|