Welkom op de site van De troostlelie!
 
Naar de homepage van deze site
 
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
E-mail naar Margriet Verbeek
 
 
Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.

 
 
De Manja Wonder-
schoonverhalen

In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
 
 
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
 
 
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
 
 
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
 
 
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
 
 
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?
 
 
Boekhandel 't Leesfestijn, Vlaardingen, waar 'De verlorenen' te koop is.

 
 
'Kerst in het
Groene Huis'

Een Delftse student
ontmoet een vrouw
die hij lijkt te herken-
nen uit een droom.
 
 
Linkspagina
Links naar ongewone,
originele boeken.
 
 
Korte bio
van Margriet Verbeek
 
 
Andere website
van Margriet Verbeek
 
 
Interview met
Margriet Verbeek
over e-books.
 
 
 
Top
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
Het wapen van de Elmontestratiaanse stad Dolia.
 
 
Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.

 
 
De Manja Wonder-
schoonverhalen

In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
 
 
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
 
 
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
 
 
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
 
 
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
 
 
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?
 
 
 
 
De melona van Larix in Elmontestratia, waarmee zij contact kan houden met Gijs, via de boom Tiligue, en het kleine, gele vriendschapsvlindertje.
 
 
 
Top
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
E-mail naar Margriet Verbeek
 
 
Hieronder zes
korte verhalen die
verbonden zijn
met beide boeken.

 
 
De Manja Wonder-
schoonverhalen

In de vijf Manja Won-
derschoonverhalen
hieronder, leren Gijs
en Larix de oude
verteller kennen en
luisteren zij naar
zijn verhalen.
Manja Wonderschoon
komt ook voor in
De troostlelie.
 
 
M. Wonderschoon 1
Ries
Een reus voelt zich
eenzaam, omdat hij
niet weet hoe groot
hij is.
 
 
M. Wonderschoon 2
Rozeliefje
Een lief meisje houdt
het niet vol lief te blijven.
 
 
M. Wonderschoon 3
Cornelia
Cornelia verlangt
ernaar zichzelf te
mogen zijn.
 
 
M. Wonderschoon 4
De pimpelmezen
'Maar zelfs de kleine
raaf krijgt waar hij zo
om schreeuwt.'
Vanuit het oogpunt
van de pimpelmezen-
ouders.
 
 
M. Wonderschoon 5
'De kleine stenen'
Een heel dorp moet
verhuizen.
Wie draagt de
zwaarste last?
 
 
Boekhandel 't Leesfestijn, Vlaardingen, waar 'De verlorenen' te koop is.

 
 
'Kerst in het
Groene Huis'

Een Delftse student
ontmoet een vrouw
die hij lijkt te herken-
nen uit een droom.
 
 
Linkspagina
Links naar ongewone,
originele boeken.
 
 
Korte bio
van Margriet Verbeek
 
 
Andere website
van Margriet Verbeek
 
 
Interview met
Margriet Verbeek
over e-books.
 
 
 
Top
 
'De verlorenen'
De kleine Gijs raakt
verloren in Elmonte-
stratia, Larix komt
hem redden, en sa-
men ontgruwen ze
de Kloof van Gruw.
Lees drie pagina's
online door op
bovenstaande link
te klikken, of bestel
het papieren boek
bij de uitgever.
Klik daarvoor op de
link hieronder.
 
'De verlorenen'
Online bestellen

 
 
Het wapen van de Elmontestratiaanse stad Dolia.
 
 
Top
 
door Margriet VerbeekFollow MargrietVerbeek on Twitter



De vijf Manja Wonderschoonverhalen sluiten aan op 'De verlorenen'.
De oude verhalenverteller is in deze verhalen al op de vlucht, maar hij kan nog binnen Elmontestratia uit handen van zijn achtervolgers te blijven. Hoe het gaat als hem dat niet meer lukt, lees je in 'De troostlelie'.
 
Download onderstaand verhaal voor e-reader:     Adobe PDF      ePub      TXT
 
Doet de PDF het niet?
Ga met de muis op de link staan, klik dan met de rechtermuisknop en kies 'Koppeling opslaan als' of 'gelinkte gegevens opslaan' uit het keuzemenuutje. Sla de PDF op in een map of op je bureaublad. Daarna kun je die PDF openen in Acrobat Reader.
Werkt het dan nog niet? Download dan de nieuwere gratis versie van Adobe Reader.
 
Doet de ePub het niet?
Aan ePub heb je alleen iets als je Adobe Digital Editions gedownload hebt.
Volg daarvoor de volgende instructies.
 



Rozeliefje - Voor Miranda


 
Manja Wonderschoon - 2
 
Rozeliefje
 
voor Miranda
auteur: Margriet Verbeek
 
Nadat Gijs me verteld had dat hij de omslagdoek van Faye uit mijn kamer genomen had, waarmee hij in zijn eentje naar Elmontestratia gereisd was om op zoek te gaan naar Manja Wonderschoon, had ik wel een poosje nodig om voor mezelf uit te maken hoe ik hier op reageren moest. Vooral toen ik bedacht hoe geraffineerd hij dat aangepakt had, door er heen te gaan terwijl ik een concert gaf in Maassluis. Op die manier kon hij er zeker van zijn dat hij mij daar niet tegen zou komen. Mijn kleine vriendje, Gijs! Dat leuke, eerlijke en openhartige kind! Werd hij achterbaks? Stiekem?
  Nu kwam zijn verhaal voor mij ook wel op een vervelend tijdstip. Ik was natuurlijk nog vol van het concert, en dan plompverloren zoiets. En ook bedacht ik dat hij het me dan toch in elk geval meteen opgebiecht had. Dat was toch ook niet niets. Uiteindelijk liet ik het maar rusten. Ik was zijn opvoeder niet. Daarbij vroeg ik me ook af of hij misschien gelijk zou kunnen hebben. Wie was ik tenslotte, om de beslissing te nemen dat hij niet zelfstandig naar Elmontestratia mocht? Maar ik had daar zoveel verdwaalde tieners en kinderen ontmoet die er ellendig aan toe waren. In Dolia waren er speciale hulporganisaties om de ontspoorde mensen van onze wereld weer overeind te helpen, en het merendeel daarvan was heel jong. En ja, ik voelde me toch ook echt wel een beetje verantwoordelijk voor Gijs. Ik was toch degene geweest die hem de eerste keer naar die vreemde, andere wereld gebracht had, twee jaar geleden. Hij was toen pas zeven geweest. Ja, toen was hij echt te klein geweest. Maar nu? Och... negen was toch evengoed nog erg jong. Ik kwam er niet uit.
  Gijs gaf me ook niet veel tijd om er lang bij stil te staan, hij was zo opgetogen over wat hij meegemaakt had, was zo vol van het bos dat hij zo mooi beschrijven kon, en die vreemde man, Manja Wonderschoon.
  Ik voelde me stiekem ook een beetje jaloers. Tot nu toe was ik altijd degene geweest die de leiding gaf, maar nu wist Gijs meer dan ik.
  Samen bespraken we ook het verhaal dat Manja Gijs verteld had. En ja, natuurlijk werd ik nieuwsgierig. Zou Manja Wonderschoon voor mij ook een verhaal hebben? Kreeg iedereen altijd een verhaal?
  Gijs dacht van niet. Er waren zoveel luisteraars geweest, er konden er toch echt maar een paar aan de beurt komen. Hij had die ene keer gewoon geluk gehad.
  En daar had hij gelijk in. Toen ik later zelf Manja Wonderschoon leerde kennen, heb ik alleen zitten luisteren en dat op zichzelf was al een prachtige ervaring.
 
Op een woensdagmiddag gingen Gijs en ik naar Tiligue, de oude plataan. Om de beurt bij de boom, want het overgaan naar de andere wereld lukt niet als er iemand bij is. Maar dat wisten we al, dus dat was geen probleem. Bij Tiligue aangekomen praatten we eerst wat met de boom, daarna wees Gijs me de weg naar de grensplaats. Een grensplaats waar ik nooit eerder geweest was, en waar ik ook nooit iets over gevonden had in de aantekeningen van Faye.
  Gijs huppelde zo leuk voor me uit, zo vol verlangen om me alles te laten zien.
  Nee, hij werd niet stiekem, realiseerde ik me nu, het was gewoon een ondernemend kind, dat was alles.
  In het bos aangekomen ging het precies zoals Gijs me verteld had. Een schaduw op de grond wees ons de weg. Gijs herkende de wand van de heuvel al van verre en rende er naartoe. Hij legde zijn handen er plat op en liet mij voelen hoe vreemd warm die plaats werd. Moest ik datzelfde doen? Daar twijfelden we even aan, maar toen deed ik het. Een ietsje boven Gijs. Zo stonden we met onze handen plat op de rotswand, totdat ik een ritselend geluid hoorde en een lijn zag verschijnen. Langzaam begon zich een deur af te tekenen. Pas toen de deur helemaal echt leek te zijn, haalden Gijs en ik onze handen eraf. Ik opende de deur en samen gingen we naar binnen. Binnen was een ruimte zonder ramen, maar met zoveel brandende olielampen dat het toch niet donker was. Het rook er naar iets zoets. Stoofpeertjes misschien. Bij het plafond leken vuurvliegjes te vliegen. Een sprookjesachtig gezicht. Tegen drie wanden zag ik boekenkasten vol boeken, tot helemaal bovenaan toe. Er stonden kleine, houten laddertjes voor om bij de bovenste boeken te kunnen. Het waren oude boeken, zo te zien. Leren kaften met goudkleurige letters. Er stonden op verschillende plaatsen heel lage tafeltjes, maar stoelen waren er niet. In plaats daarvan was er een overvloed aan grote kussens in allerlei kleuren. Toen Gijs en ik binnenkwamen, hoorden we juist hoe een jongetje de grijze man op het grote, rode kussen bedankte voor het verhaal. Het kind knikte, maakte in feite een soort buiging, en ging daarna tussen de andere kinderen zitten. Onszelf niet meegerekend telde ik in totaal zes kinderen, drie volwassenen, en acht Elmontestratiawezens.
  Manja Wonderschoon stond op, ging even naar achteren en kwam toen terug met twee kannen. In de ene zat hete kruidenthee, in de andere dice, een populaire frisdrank in Elmontestratia. Gijs en ik gingen zitten. De grijze man begroette mij speciaal. Natuurlijk omdat ik hier voor het eerst was. Wat een bijzonder mens was het, die Manja Wonderschoon. Hoe oud zou hij zijn? Ik kon het niet raden. Niet al te jong, zijn haar was grijs, maar hij was zo kwiek, zijn ogen stonden jong. Zijn huid leek grijsgemarmerd te zijn, zijn wijde kleding verschillende tinten grijs. Ook zijn grote ogen waren grijs. Maar zodra hij sprak, leken er kleuren doorheen te vloeien. Als de regenboogkleuren in een olievlek. En als hij erg op dreef was, kwamen er vuurvliegjes uit de plooien van zijn kleren, die een poosje tussen de luisteraars doordwarrelden, en ten slotte naar het plafond vlogen.
  Toen iedereen wat te drinken had - ik thee, Gijs dice - ging Manja weer op zijn rode kussen zitten. Hij keek om zich heen en wenkte een tenger, blond meisje van een jaar of zestien. Ik kende haar niet. Ze bleek Miranda te heten. Miranda lachte en stond op. Ik zag haar wangen vuurrood worden van verrassing.
  Ze ging op het daarvoor bestemde groene kussen zitten en keek ernstig, met grote ogen vol verwachting, naar Manja Wonderschoon. Even legde ze haar handen in zijn handen. Hij keek haar vriendelijk aan, liet haar handen los en begon te vertellen.
 
'In de kleine stad kenden de mensen elkaar niet allemaal. Dat was niet mogelijk, daarvoor woonden daar teveel mensen. Maar er was één meisje waar iedereen toch op z'n minst één keer van gehoord had. Dat was de dochter van de bakker. Zij was het liefste meisje van de stad. Haar naam was Rosalinde, maar omdat ze zulke mooie roze wangetjes had en ze altijd en altijd lief was werd ze Rozeliefje genoemd.
  Nooit was ze jaloers, altijd gehoorzaam, altijd even beleefd en vriendelijk met een open, blijde lach in haar lieve, blauwe ogen.
  Hoe gelukkig waren haar ouders met zo'n dochter!
  Rozeliefje groeide op en ging naar school. Ze deed het goed, kreeg mooie cijfers en iedereen hield van haar. Overal waar ze kwam waren de mensen blij om haar te zien en dat maakte Rozeliefje nog liever dan ze al was.
  Omdat ze altijd zo zoet was, ging haar gezicht een beetje op marsepein lijken, en haar haren op het engelenhaar uit de kerstboom. Haar schouderbladen begonnen verdachte punten te vertonen.
  'Niets bijzonders', zei de schoolarts, toen haar moeder daar een vraag over stelde, 'het kind heeft úitstekende schouderbladen, dat komt meer voor, dat betekent niets.'
  Maar Rozeliefjes moeder werd er wat angstig van, en steeds als Rozeliefje onder de douche geweest was, controleerde haar moeder haar rug en zag dan elke keer dat die uitsteeksels weer langer geworden waren.
  Op een keer, toen Rozeliefje in groep zeven zat, bezocht zij met haar hele klas een van de grotere ouderencentrums van de stad. De directeur van het centrum vertelde dat veel oude mensen het moeilijk hadden omdat ze zich eenzaam voelden, en dat ze zo graag eens bezoek zouden krijgen van een kind. Zouden de kinderen niet af en toe eens naar het centrum willen komen? Dan zou hij hen wel doorsturen naar de mensen die daar behoefte aan hadden.
  Dit was nu net wat voor Rozeliefje.
  Vanaf die dag bezocht Rozeliefje elke dag als ze uit school kwam een paar mensen uit het centrum. Ze deed boodschappen voor hen, ging met hen naar buiten als de zon scheen en soms duwde ze een rolstoel. In de kortste keren waren alle mensen dol op haar. Rozeliefje maakte tekeningen voor iedereen die er maar een wilde hebben en ze plukte boeketjes wilde bloemen om de kamers van de mensen op te fleuren. Wat vonden de mensen dat vertederend, zo'n schattig meisje dat met een bosje vergeet-mij-nietjes en wilgenroosjes voor hun deur stond. Nooit vergat ze een verjaardag.
  Haar gezicht ging nu zoveel op marsepein lijken dat de mensen zich wel eens afvroegen of het wel echt was, en de uitsteeksels op haar rug waren nu zo groot geworden dat ze zichtbaar werden door haar kleren heen.
  Zo kwam de dag van Rozeliefjes veertiende verjaardag.
  Het werd een groot feest want iedereen in de stad hield van haar en ze kreeg veel cadeautjes die ze onmiddellijk weer uitdeelde aan kinderen die niet veel hadden. Er was veel snoep, dice en appelsap, er was taart en chips in overvloed. Alle mensen waren blij en Rozeliefjes marsepeinen gezichtje straalde van geluk.
  Toen kwam er een donkere onweerswolk boven de stad. De wolk keek naar beneden en zag de feestvierende menigte met in het middelpunt Rozeliefje. Hij zag haar marsepeinen gezichtje en grijnsde toen gemeen. Onweerswolken houden niet van lievigheid.
  Plotseling schoot zijn lange, zilveren arm door de lucht, en ratelend flitsten zijn vingers door de hemel. Zijn linkerwijsvinger raakte even het hart van Rozeliefje, en Rozeliefje viel in het gras. Op hetzelfde moment rolde de donder over de stad en vielen de eerste grote druppels. Hevig geschrokken keken de mensen naar het roerloze meisje op de grond, maar toen de dikke druppels op haar gezicht uiteenspatten, kwam Rozeliefje weer bij, stond haastig op en rende met alle andere mensen het huis in.
  'Hoe is het met haar, haal de dokter!' riep de een.
  'Welnee, dat is niet meer nodig.' zei de ander.
  'Geef het kind te drinken.'
  'Geef haar wat te eten.'
  'Laat haar even zitten.'
  'Nee, ze moet naar bed.'
  Rozeliefjes moeder trok haar even bij zich op schoot, en Rozeliefje zei lief: 'Het is al weer over, hoor mama, maak je maar niet ongerust.'
  Nu, dat deed haar moeder dan ook niet, ze was alleen blij dat het zo goed afgelopen was.
  Toch was er vanaf die dag iets veranderd in Rozeliefje.
  Niemand merkte het, maar Rozeliefje zelf voelde het wel.
  Als ze in de spiegel keek, zag ze hetzelfde gezicht als vóór haar veertiende verjaardag. Even zoet en lief. Maar van binnen was er iets gebeurd.
  Het eerste wat ze merkte was dat ze zich begon te ergeren.
  Ze ergerde zich aan het lawaai van de buren en aan de wind die maakte dat het fietsen zo zwaar ging.
  Ze ontdekte dat ze eigenlijk een hekel aan afwassen had en ergerde zich eraan dat iedereen zomaar aannam dat zij dat wel even zou doen. Ze begon zich zelfs te ergeren aan de oude mensen van het ouderencentrum. Hadden die nu vroeger ook altijd zoveel gezeurd? Altijd praatten ze maar over zichzelf, nooit eens vroeg iemand hoe het met háár ging.
  Als Rozeliefje nu een gewoon meisje geweest was, dan zou ze de mensen lastig gevallen hebben met haar ontevreden gedachten. Ze zou zijn gaan klagen en tegenstribbelen, ze zou kwaad geworden zijn en met de deuren gesmeten hebben. Gescholden op die stomme school en die vervelende oude mensen uit het centrum.
  De mensen om haar heen hadden dan simpelweg gezegd: 'Och, dat is de puberteit!' en niemand zou zich er druk om gemaakt hebben.
  Maar Rozeliefje met haar marsepeinen gezichtje kon niet kwaad worden. Ze kon niet boos kijken en lelijke dingen zeggen. Dat had ze nooit geleerd. Dus bleef ze even lief als vroeger en niemand merkte enig verschil.
  Niemand? Ja, toch wel.
  Haar moeder ontdekte tot haar blijdschap dat de uitsteeksels op Rozeliefjes schouderbladen kleiner werden. Alleen iemand die heel nauwkeurig keek zou gezien hebben dat het marsepeinachtige van haar gezicht langzaam maar zeker veranderde in iets wat op plastic leek. Toch bleven haar ogen open en blij, en bleef haar mond vriendelijk glimlachen. Ook bleef ze even behulpzaam als ze altijd geweest was. Niemand wist van haar boze gedachten.
  Eens, toen ze in de badkamer was, met de deur op slot, sloeg ze in haar boosheid met haar vuisten tegen de koude tegeltjes. Ze sloeg zo hard dat het haar pijn deed en fluisterde zo kwaad ze kon (en dat was niet erg kwaad) 'Rotzak die je bent, vervelende ouwe zeur! Trut! Kreng!' Daarbij dacht ze dan aan alle mensen waar ze zich de afgelopen dagen aan geërgerd had, en ze wilde wel dat ze meer lelijke woorden kende.
  Haar moeder hoorde van achter de gesloten deur de rare, doffe bonzen, en bezorgd riep ze: 'Is er wat Rozeliefje? Wat maak je daar een raar geluid? Heb je je pijn gedaan?'
  Geschrokken stopte Rozeliefje met slaan, en terwijl ze haar roodgeslagen vuisten onder de koude kraan hield, riep ze vrolijk lachend naar haar moeder: 'Nee hoor mama, niets aan de hand, het was maar een spelletje.'
  Van buiten bleef ze dezelfde. Bleef ze gewillig boodschappen doen voor de oude mensen uit het ouderencentrum en deed, waar ze maar kwam, gehoorzaam de afwas na het eten. Ze troostte kleine kinderen als ze gevallen waren op straat, maakte altijd haar huiswerk en was zo zonnig, vrolijk en lief, dat de mensen steeds meer van haar gingen houden. Rozeliefje was inmiddels aan die bewondering gewend geraakt. Zelf dacht ze daarom ook nooit na over de veranderingen in zichzelf, nadat de bliksem in haar hart geslagen was. Maar haar handen wisten alles van haar verborgen ergernissen, van alle lelijke woorden die ze binnenhield, en van de haat, die steeds vaker in haar oplaaide. En haar handen onthielden het, maar hielden dat wat ze wisten voorlopig nog even stil.
  Rozeliefje hield veel van bloemen plukken. Ze plukte ze niet alleen, ze determineerde ze ook en zocht er alles over op in dikke boeken, zodat zij na verloop van tijd veel meer van planten wist dan de meeste andere mensen.
  Op een keer plukte ze een vrolijk veldboeketje voor een zieke oude vrouw.
  Verheugd nam de vrouw de bloemen aan en zette ze in een vaasje, maar ach, er bleek blaartrekkende boterbloem tussen de bloemetjes te zitten, en de handen van de zieke vrouw raakten overdekt met pijnlijke blaren en rode plekken. Wat schrok Rozeliefje hiervan, wat deed het haar verdriet. Zij had er zelf geen last van gehad. Nee, toevallig had ze juist handschoenen gedragen toen ze die bloemen plukte.
  Soms, als Rozeliefje naar bloemen zocht, groeven haar handen ook de wortelknolletjes uit, en verzamelden ze voorzichtig de zaden van de giftige planten. Haar handen deden al die plantendelen in een washandje en legden dat achter de boeken in de kast op haar slaapkamer.
  Rozeliefje zelf wist nergens van, haar ogen straalden argeloos, en vrolijk bleef zij door de straten huppelen. Haar krullend haar liet ze heel lang groeien en bond het samen met een grote roze strik. Ze droeg mooie jurken met zwierige rokken, leerde dansen, en voor ze achttien was waren alle jongens uit de stad verliefd op haar.
  Zij was aardig tegen allemaal. 'Pas na mijn eenentwintigste verjaardag wil ik er eentje uitkiezen om mee te trouwen.' zei ze tegen haar moeder.
  Dat vond haar moeder heel verstandig. Nu was ze nog veel te jong.
  Toen de zaden en de wortelknolletjes achter de boeken in de boekenkast gedroogd waren, namen de handen van Rozeliefje een deegroller uit de keukenkast en daarmee wreven ze alle plantendelen fijn tot grove donkerbruine korrels. Het leek wel een beetje op koffie of thee.
  De handen van Rozeliefje namen een doosje met theezakjes uit de kast, en ook wat luciferdoosjes. De handen van Rozeliefje maakten de theezakjes voorzichtig open en deden in elk ervan een klein schepje korrels. De rest van de korrels deden ze in de lucifersdoosjes (de lucifers gooiden ze weg).
  De doosjes en de theezakjes deden Rozeliefjes handen in het blauwe tasje dat ze altijd bij zich droeg.
  Nu dit klaar was, was Rozeliefje nog blijer dan anders. Haar ogen straalden liever dan ooit, en de mensen zeiden tegen elkaar: 'Ze is zeker verliefd!' Maar nee, dat was niet zo. Rozeliefje was alleen blij omdat ze nu een tegengif had tegen haar boze geërgerde gedachten en haar heimelijke haat. Als ze nu woede in zich op voelde komen wanneer de buren midden in de nacht een video zo hard aanzetten dat zij ervan wakker schrok, dan pakte ze haar tasje, hield het dicht tegen zich aan en draaide zich glimlachend om in haar bed. Als een kind naast haar in de bus onophoudelijk zijn neus op bleef halen, dan bleef ze rustig lachen met haar hand op haar tasje. Als de oude mensen in het ouderencentrum hun gal over deze tijd uitspuwden en daarbij soms ook hun gebit, dat ze dan naast het koffiekopje op tafel legden om het met een tandenstoker schoon te peuteren, dan luisterde Rozeliefje geduldig, haar handen om haar tasje geklemd.
  Maar na verloop van tijd bleek de toverachtige werking van de zakjes en de doosjes in haar tasje wat af te nemen. Het was niet meer genoeg om het tasje alleen vast te houden. En toen kwam het moment dat de handen van Rozeliefje over gingen tot daden die Rozeliefje zelf nooit goedgekeurd zou hebben. Haar handen schudden een luciferdoosje leeg in de koffiebus van mevrouw Pieterse, vervingen een paar theezakjes uit het theeblik van het ouderencentrum en leegden een ander doosje in de bus met muesli van haar oom Nick en tante Monica.
  Binnen een week waren de handen van Rozeliefje hun hele voorraad kwijt.
  Achter de boeken in haar slaapkamer lagen inmiddels al drie andere washandjes vol kruiden te drogen, zodat ze al gauw weer een nieuwe voorraad had.
  IJverig gingen Rozeliefjes handen verder. Heel voorzichtig ook. Nooit werden ze betrapt.
  Kort daarna hoorde Rozeliefje voor het eerst over mensen die plotseling ernstig ziek geworden waren. Binnen een week stierven er in de stad drieëntwintig mensen aan een totaal onbekende ziekte. De ziekteverschijnselen waren niet bij iedereen gelijk, dat maakte het moeilijk om de oorzaak te ontdekken. Er ontstond grote paniek in de stad, in alle kranten verschenen artikelen over de onbekende ziekte, de geheimzinnige epidemie.
  Kwam het door de vervuilde regen? Had het te maken met de ozonlaag? Waren er vreemde bacteriën terecht gekomen in blikjes met ananas? Maar nee, mevrouw Mees at nooit ananas en was toch gestorven. Potjes appelmoes! Dat was het. Ineens wist iedereen het zeker en alle potjes appelmoes gingen terug naar de fabriek, totdat na een onderzoek bleek dat er niets mis was met de appelmoes. Het moest wat anders zijn.
  Veel drinken! Adviseerden de mensen elkaar. En vooral geen melk. Druivensap was het beste. Weinig vlees eten en oppassen voor natte voeten. Men vroeg zich ook af of het besmettelijk zou zijn. Veel mensen vreesden van wel en meden alle zieken om zich heen.
  Rozeliefje was niet bang voor besmetting. Zij bezocht alle mensen ziek of gezond. Zij plukte bloemen voor iedereen, kookte soep, perste sinaasappels uit, en huilde bij elk sterfbed. Elke dag was er een begrafenis in de stad, de epidemie woedde voort, de mensen werden wanhopig en niemand, niemand ontdekte om welke ziekte het nu eigenlijk ging. Toen Rozeliefje in de krant las dat het negenenveertigste slachtoffer gevallen was - de begrafenis was morgenmiddag om twee uur - toen trilde de krant in haar handen. De tranen rolden over haar wangen en snikkend strompelde ze de trap op naar haar slaapkamer.
  Achter de boeken in haar kast waren nu alle washandjes leeg. In haar tasje zat nog één theezakje. De handen van Rozeliefje namen het theezakje uit het tasje en Rozeliefje zette daarvan een kopje thee voor zichzelf als troost voor haar verdriet. De handen van Rozeliefje brachten het kopje thee naar haar mond en Rozeliefje dronk, zoals zoveel mensen gedronken hadden. Rozeliefje ging languit op bed liggen en stierf.
  Hoe huilden haar ouders, en ook alle andere mensen die haar gekend hadden.
  Honderden mensen liepen mee in de stoet achter de kist. Ze vertelden elkaar alles wat ze zich van haar herinnerden. Hoe goed ze geweest was en hoe lief. Hoe dapper ook, om alle zieke mensen te bezoeken zonder angst voor besmetting. Zij was als een heilige, had haar leven gegeven om te kunnen verplegen en het lijden van de mensen te verlichten. Zoveel mensen hadden mooie herinneringen aan de bloemen die ze van haar gekregen hadden, hoeveel had zij niet altijd voor de mensen over gehad! Zij was een voorbeeld voor alle kinderen, voor alle jongeren, volwassenen en ouderen. Ieder kon van haar leren; van haar vriendelijkheid, haar geduld, haar blijdschap en haar bescheidenheid. En nu was zij dood.
  Rozeliefje kreeg een grote, witmarmeren steen op haar graf, met in het midden een kleurenfoto van haar marsepeinen gezichtje. Bovenop de steen zat een witstenen duif als vredessymbool, en onder de foto stond met grijze sierletters:
 
  'Hier ligt Rozeliefje - Zij was het liefste meisje van de stad'
 
Een beeldhouwer had daar omheen Rozeliefjes handen uitgebeeld. De handen die zoveel goeds gedaan hadden in hun leven.
  Rozeliefje bleek het laatste slachtoffer te zijn van de vreselijke epidemie. De ziekte was voorbij en de mensen die niet getroffen waren konden weer rustig ademhalen en eten wat ze wilden, maar vergeten deden de mensen het niet.
  Rozeliefje werd een legende, een voorbeeld van opofferingsgezindheid en liefdevolle aandacht.'
 
Manja Wonderschoon zweeg. Het verhaal was uit. Met vuurrode wangen stond Miranda op, gaf Manja een hand, bedankte hem, knikte naar hem, zoals dat blijkbaar hoorde hier, en ging op haar plaats zitten.
  Ik keek naar haar. Wat moest zo'n meisje nu met dat verhaal?
  Dacht Manja Wonderschoon soms dat Miranda een gifmengster was? Hoe was het voor haar om zo'n verhaal in het openbaar aan te moeten horen?
  En voor het eerst drong tot me door dat er ook een zeker risico in zat om hier te komen. Je zou ook iets te horen kunnen krijgen wat je niet weten wilde. Of waarvan je echt niet begreep waar het op sloeg.
  Manja Wonderschoon ging staan en schudde zijn wijde mantel uit. Een wolk van vuurvliegjes steeg eruit op. Iedereen begon te lachen.
  Dit bleek zijn teken te zijn dat hij ermee ophield.
  Een voor een vertrokken de luisteraars. Ook Gijs en ik.
  'Gaan we gauw weer?' vroeg Gijs.
  'Hm.' aarzelde ik. 'Misschien.'
 
Margriet Verbeek April 2009
 
----------------------------------------
 
Zowel de vijf Manja Wonderschoonverhalen als 'Kerst in het Groene huis' sluiten aan bij het boek 'De verlorenen'.
In De verlorenen leren Gijs en Larix elkaar kennen en ontdekken ze het vreemde land Elmontestratia. Gijs wordt er ontvoerd, en pas na een lange, spannende tocht weet Larix hem te bevrijden.
 
Titel: 'De verlorenen'
Auteur: Margriet Verbeek
Uitgever: Boekscout.nl
Uitvoering: Paperback - 16 x 24 cm.
Aantal pagina's: 404
Prijs: 20,95 Euro
Te bestellen:
 
    Online bij Uitgeverij Boekscout.nl,
    of in de boekhandel
    ISBN - 978-90-8834-469-5
 
www.boekscout.nl
www.margrietverbeek.nl
www.troostlelie.nl
 
De vijf Manja Wonderschoonverhalen zijn voorbereidende verhalen voor 'De troostlelie'. Voordat het boek in druk verschijnt, zullen de eerste hoofdstukken van 'De troostlelie' vanaf begin september 2010 te lezen zijn op de website van 'tenpages.nl'.
 
Tot ziens!
 
Aantal pageviews voor deze gehele site, vanaf 28 februari 2010:
 
URL:http//www.troostlelie.nl/manja2.html
© 2010 by Margriet Verbeek
ALL RIGHTS RESERVED